
Volksmuziek is van overal. Zij was de afgelopen eeuwen de voornaamste vorm van amusement, vooral op het platteland. Iedereen kende de vaak eeuwenoude liedjes, zong die mee en danste erop. Toen in de loop van de 18de eeuw massale migratie op gang kwam van Europeanen naar de VS, namen deze hun muziek mee. Veel streken neer in de oostelijke kuststreek, de Appalachen en later spreidden zij zich over de zuidelijke staten. Ook ontstonden er muziekgroepjes die graag geziene gasten waren op feesten en in kroegen (honky tonks). In de eerste jaren van de 20ste eeuw kreeg de opkomende grammofoonplatenindustrie aandacht voor deze muziek. Ralph Peer reisde daarom stad en platteland af om de muziek vast te leggen. Het was hij die de bewoners uit het oosten en zuidoosten van de VS de ‘hillbillies’ noemde en die naam raakte ook ingeburgerd voor het type muziek dat ze maakten.
Muzikanten van het eerste uur waren James Gideon ‘Gid’ Tanner (1885 – 1960), een kippenfokker die in zijn vrije tijd de viool speelde in zijn band ’the Skillet Lickers’ (‘Cotton-Eyed Joe’) en ‘Jimmie Rodgers (‘Kisses sweeter than wine’), die nog vele jaren van zich zou laten horen. Dat gold ook voor de Carter Family, een band waarin opeenvolgende generaties elkaar tot 1957 zouden afwisselen. Ook de later beroemde gitarist Chat Atkins maakte een tijdje deel uit van de band. Dat gold ook voor Johnny Cash nadat hij trouwde met een van de leden van de familie.
Hier zingt de Carter familie ‘Wildwood Flower (1928)
Aan de popularisering van het genre hebben behalve de opkomende platenindustrie ook de idealisering van het cowboyleven bijgedragen, dat werd vastgelegd in het groeiende aantal westerns. Om deze reden werd de term ‘hillbilly muziek’ in de jaren ’40 vervangen door ‘country & western’.
In het onderstaande fragment bezingt Patsy Montana samen het de Texas Rangers ‘I want to be a cowboy’s sweetheart’ (1939).
De stad Nashville was inmiddels het middelpunt van ‘country & western’ geworden, niet in de laatste plaats omdat veel radio-uitzendingen live werden uitgezonden vanuit het Grand Ole Opry theater, dat naar mate de jaren vorderde een arena werd met meer dan 4000 zitplaatsen (zie titelfoto). Optredens in dit theater lanceerde menig artiest en waren tevens bedoeld om het traditionele karakter van country & western te behouden. Dit genre is daardoor lang de muziek van het conservatieve deel van de Amerikaanse bevolking gebleven.
Country & western was in de jaren ’30 te horen in elke kroeg en vanwege het volume werd vaak een (oude) piano toegevoegd een aan het instrumentarium dat bestond uit viool, gitaar, dobro (een soort steel gitaar) en banjo of mandoline. Vaak werd ook van honky tonk muziek gesproken. Bobb Wills (‘San Antonio Rose’), Ernest Tubb en Hank Williams sr. waren toonaangevende artiesten uit deze tijd.
Hank Williams sr. zingt ‘Hey Good looking’
Het behoud van het conservatieve imago van country & western heeft de CMA, (Country Music Association) en haar tempel, de Grand Ole Opry de nodige conflicten opgeleverd. Vanaf de jaren ’30 tot op de dag van vandaag lieten artiesten zich inspireren door andere muziekgenres op zoek baar een eigen geluid. De CMA stond daar zeer kritisch tegenover. Om deze reden werden Billl Haley en wat later Elvis Presley de toegang tot het theater ontzegd vanwege hun zich ontwikkelende ‘rockability stijl’, een van de eerste ‘cross overs’ en die de basis legde voor de ‘rock ’n roll’.
Hier een optreden van ‘rebel’ Bill Haley and his Comets: ‘Rock around the clock tonight’. Naar onze smaak heel braaf, in vergelijking tot de latere ‘rock’, die ik binnenkort verken.
‘Uitwassen’ als deze leidden geregeld tot een herwaardering voor de ‘roots’ van country & western. De ‘blue grass’ muziek uit de jaren ’40, die decennialang een wisselende mate van populariteit zou behouden is daar een voorbeeld van. De grondlegger is Bill Monroe (1911 – 1996) en zijn band The Blue Grass Boys, vernoemd naar de bijnaam van de staat Kentucky, ‘Blue grass state’. Deze muziek onderscheidt zich vanwege het hoge stemgeluid van de voorzanger en de perfecte samenzang met het achtergrondkoortje. De schelle stem moest aanvankelijk de afwezigheid van een microfoon compenseren. Een andere beroemde band was de Osborn Brothers (‘Rocky top’).
Bill Monroe and the Blue Grass Boys spelen en zingen ‘Blue moon of Kentucky’, een opname uit 1975, het nummer werd toen uiteraard al vele jaren gespeeld.
De tweede cross-over kwam vanuit de hoofdstad van country & western zelf, te weten de platenindustrie. In de loop van de jaren ’50 zag deze met lede ogen aan hoe de populariteit van rock ’n roll en rhythm & blues toenam. Een team met onder andere Chat Atkins werd ingehuurd om country & western gladder te maken. De steelguitar en de viool weken voor achtergrondkoortjes en strijkers. Maar voor het grote succes van deze aanpak zorgden vooral de zoetgevooisde stemmen van Jim Reeves, Don Gibson (‘Oh Lonesome me’) en Patsy Cline.
Jim Reeves zingt hier ‘He’ll have to go’.
Al vlug werd gesproken van de ‘Nashville sound’, die vooralsnog de goedkeuring van het country & western establishment kon wegdragen. Commercieel was de Nashville sound een groot succes. De musicus Atkins die mede aan de wieg stond, was er steeds minder blij mee omdat elk stapje naar een meer jazzy klank taboe was. Toen hem gevraagd werd te beschrijven wat zo typerend was voor de Nashville sound rammelde hij met het wisselgeld in zijn broekzak en zei hij: “That’s what it is. It’s the sound of money”. Aan het succes kwam een plots einde toen Jim Reeves en Patsy Cline beide bij vliegongelukken om het leven kwamen en de Britpop ook de VS in haar ban kreeg.
Veel country & western liefhebbers voelden zich slecht bediend door de gladde Nashville sound aan de ene kant en de liedjes van de Beatles en hun collega’s aan de andere. Dit opende opnieuw de weg om stappen terug te zetten richting ‘roots’. Verantwoordelijk hiervoor waren artiesten als Wynn Stewart, Buck Owens, Bob Wills en Merle Haggard. Hun zogenaamde ‘Bakersfield sound’ (vernoemd naar Bakersfield in Californië), sloot aan bij de wat rauwere honky tonk uit de jaren ’40, In dit gebied waren talloze migranten neergestreken die waren verdreven uit het Midwesten, dat geteisterd werd door stofstormen (‘Dustbowl’). De Bakersfield sound zou tot in de jaren ’70 doorklinken en mede de grondslag vormen voor de ‘folk rock’. Maar daarover later meer.
Je ziet en hoort nu Merle Haggttt en Bob Wills in de klassieker ‘San Antonio Rose’.
De Nashville sound was na de inzinking in de jaren ’50 allerminst verdwenen. De stijl werd inmiddels ‘countrypolitan’ genoemd en een groot aantal artiesten, zoals Lynn Anderson, Charly Pride, Donna Fargo, Ray Stevens en Chystal Gayle kan ertoe worden gerekend. Vanaf de jaren ’70 en volgende kunnen aan deze lijst nog onder andere worden toegevoegd John Denver (‘Annie’s Song’), Kenny Rogers (‘Lucille’) en vanaf de jaren ’90 Garth Brooks en de Dixie Chicks.
Al deze artiesten droegen bij aan het oprekken van de kloof tussen de traditionele country & western en andere muziekstijlen, variërend van rock, soul, funk en in de jaren ‘90 ook hiphop. De country & western waakhond in de ‘Grand Ole Opry’ keken argwanend toe, maar konden niet veel inbrengen tegen de artiesten die ook de exclusieve country & western lijsten topten. Aan de populariteit van de Dixie Chicks kwam echter een abrupt einde aan toen zij tijdens een optreden kritiek uitten op president Georde W. Bush, vanwege diens aanval op Irak. De country & western radio- en televisiezenders draaiden prompt hun nummers niet meer.
Hier het nummer ‘Cowboy take me away’ van de Dixie Chicks (2006), dat qua inhoud en instrumentatie nog country & western invloeden kent, maar waarvan de melodie nauwelijks meer als zodanig valt te classificeren.
De vraag was dan ook actueel wanneer een liedje met de beste wil van de wereld niet meer tot het country & western genre behoort. Er diende zich in het begin van de 21ste eeuw voldoende testcases aan van zangers en zangeressen die te boek stonden als ‘country sterren’ als Shania Twain, Tayler Swift, Carrie Underwood en Maren Morse. Hun genre wordt ‘country pop’ genoemd.
Ik verken de muziek van dit viertal later en beperk me nu tot een van de eerste liedjes van Tayler Swift ‘Tim McGray’ (2006). Country of niet?
Een terugkeer in de richting van meer ‘traditionele’ country & western muziek kon niet uitblijven. Dit resulteerde in muzikale stijlen die werden aangeduid met de termen ‘folk’, ‘Americana’, ‘country folk’ en ‘country rock’. Een bijkomend kenmerk was dat enkele musici die tot deze categorie gerekend kunnen worden ook een uitgesproken linkse politieke stellingname hadden, wat hun populariteit in countrykringen niet ten goede kwam. Voorbeelden zijn Woody Guthrie, Pete Seeger, Donovan, Joan Baez en, Bob Dylan.
George Strait staat nog het dichtst bij de traditionele country & western stijl en van hem kun je hier zijn bekendste liedje ‘Amarillo by morning’ horen (een opname uit 2016).
Meer in de richting van ‘country rock’ gaat muziek van Gram Parsons, tevens lid van The Byrds en de Flying Burrito Brothers, ook wel de vader van de country rock genoemd. Met Emmylou Harris heeft Gram een reeks duetten gezongen. Ook de Eagles passen in deze categorie.
Een voorbeeld van onvervalste ‘country rock’ is de Charlie Daniels Band, actief in de periode 1950 – 2020, het jaar van Charlie Daniels’ overlijden. Van deze band laat ik hier haar bekendste liedje horen ‘The Devil went down to Georgia’ (1979).
Country & western heeft een enorme invloed gehad op de hedendaagse muziek in de VS, ondanks of misschien wel dankzij de vele cross-overs en het feit dat ook de muziek van hedendaagse vertolkers van ‘traditionele’ country & western heel anders klinkt dan die van de Carter family of de Blue Grass Boys.
Heel anders? Ook weer niet allemaal. Er zijn verschillende groepen die met hun precieze vertolking van traditionele country & western muziek volle zalen trekken. Een van die groepen is opnieuw een heel gezin met aanhang: De Petersens. Ook zij hebben van hun hobby hun beroep gemaakt en met hun enthousiasme blazen ze alle stof die mogelijk op oude nummers terecht is gekomen.
Hier zijn de Petersens met Rocky Top, een authentiek blue gras nummer uit de jaren ’40. Overigens zingen de Petersens ook hele andere genres. Ik heb al eerder hun vertolking van de volledige Bohemian Rhapsody laten horen op hun traditionele instrumentarium. Ook die klonk als een klok.
Plaats een reactie